DB17: Omdat ik ook maar een meisje ben

 
Die queeste naar dat perfecte hemdje, de bijpassende kleur nagellak, schoenen die toch op zijn minst één outfit eer aandoen (om vervolgens nogmaals in de rekken te duiken, omdat je ook kleren hebt die er helemaal niet mee te matchen zijn), een hele hoop nieuwe sieraden (want die hebben we nooit genoeg)... Dat gevoel van overwinning als je met twintig volgeladen tassen en een lege geldbuidel thuis komt...!
 
Shoppen: ik word al moe als ik eraan denk.
 
Langer dan een twintigtal minuten slenteren hou ik niet vol. Schoenen passen is een ramp. Mijn voeten zijn krom, waardoor ik niet in alle schoenen pas, en als het open schoenen zijn, staan ze me dus vaak helemaal niet. Om van mijn steunzolen nog maar te zwijgen...
 
Ik zweet me ook te pletter in kledingwinkels. Ofwel worden mijn benen moe en doen mijn knieën en enkels pijn, ofwel peiger ik mijn armen af door voor de rolstoel te kiezen (niet dat ik iets te kiezen heb als ik verder dan een winkel of twee wil komen).
 
Niemand staat er blijkbaar ooit bij stil dat ook rolstoelen wel eens langs die rekken moeten, en vaak hangen ze dan ook nog -wat fantastisch toch- dat ene leuke shirt hoog aan de muur. Dan wordt het kiezen: mama gaan zoeken, het shirt laten hangen (hoe mooi ik het ook vind), of zelf opstaan om een poging te doen het van het rek te halen.
 
Optie drie, zou je zeggen, aangezien ik best wel heel even recht kan staan. Maar dat is buiten de starende blikken van zowel winkelpersoneel als medeklanten gerekend. Dan zie je in hun ogen gewoon die uitdrukking van: “Wat doet dat meisje in een rolstoel? Ze kan gewoon zelf lopen!”
 
Ze kijken niet verder dan dat. Ze kijken dan plots niet naar mijn lichaam dat niet ‘recht’ is (wat ze, als ik zonder rolstoel was gegaan, echt wel fronsend bekeken zouden hebben). Alles wat ze zien is: zij kan wel stappen, wat een onzin. Dat ik een beetje waggel, maakt dan plots niet meer uit. Het is ook nooit goed voor sommige mensen.
 
Altijd word ik onbeschaamd aangegaapt, met als gevolg dat ik vaak kleren laat waar ze zijn, en ook niks ga passen. Kleren passen is bovendien al vermoeiend genoeg en ik zie mezelf niet graag in de spiegel als ik dat doe. De dingen die ik mooi vind, zetten vaak mijn imperfecte lijf in de verf. Geregeld zie ik dan thuis pas hoe iets me staat (of beter gezegd, niet staat) en voel ik me dus weer eens slecht voor de rest van de dag.
 
Broeken zijn het ergste. Ik krijg ze moeilijk aan of uit als ze strak zitten, en wijde broeken vind ik niet mooi. Maar mijn benen zijn heel erg dun en smalle broeken benadrukken dat natuurlijk.
 
Tegenwoordig koop ik alleen nog leggings, of iets wat tussen een jeans en een legging in zit. Of shorts met panty’s. Het is niet moeilijk om aan te trekken, want het is elastisch en dat geeft me het gevoel toch iets van extra bewegingsvrijheid te hebben.
 
Eigenlijk zou dit helemaal niet mogen. Mensen -al dan niet met een lichaamsbouw die afwijkt van de standaardnorm- zouden moeten kunnen kopen wat ze willen, zonder zich zorgen te moeten maken over wat anderen ervan vinden.
Diep ademhalen, trots opzij zetten, rolstoel in de auto proppen en denken aan de mensen die vriendelijk een helpende hand uitsteken, in plaats van met hun onderkaak op de grond schaapachtig staan te staren en soms zelfs een kledingstuk uit pure verbazing laten vallen.
Denken aan de shorts, aan de sjaals, aan de oversized truien die ik zo leuk vind... Niet kijken naar de spiegel, alleen naar mijn gezicht. Naar die ogen die al zoveel doorstaan hebben. Het enige paar ogen dat mijn handen kan tegenhouden wanneer ik een shirt weer terug wil hangen.
 
Deze keer mag ik egoïstisch zijn, nu mag ik aan mezelf denken. Alléén maar aan mezelf.
 
Aan alle mensen die om een gelijkaardige reden een hekel aan winkelen hebben: jullie verdienen een hele hoop lintjes.
 
 
Aïda