Dinsdag Blogdag vier

 
Dinsdag Blogdag vier: de Lijn, en hoe het er soms over gaat
 
“Zwetend ploetert het studentenvolk zich een weg doorheen een landschap van troosteloos droge lectuur en smakeloze syllabussen, vechtend voor onze eer (of juist onze trots opzij schuivend) voor een tien of meer. Het blijkt een hele kunst om de leerstof te beheersen zonder dat deze onze onschuldige zielen overneemt en ons ten onder laat gaan aan het afsterven van de creatieve centra van onze hersenen. In de blok is men slechts een schaduw van zichzelf, en het slot van deze kwelling is nog niet in zicht. Enkelen onder ons overwegen al om uit pure wanhoop een contract te ondertekenen bij de duivel: een ziel in ruil voor nooit meer te moeten studeren...”
 
 
Oké, zo is het wel weer genoeg geweest met dramatisch doen. Bovendien is het ook lang niet kommer en kwel voor alle studenten die zich een weg banen doorheen de lange slopende dagen van het middelbaar onderwijs. Hun veel te korte vakantie is immers ook weer voorbij. Schrijfkramp in de les, stijf van het lange zitten, zere knieën door het rechtstaan op een overvolle bus... Een kerngezonde jongeling kan het soms amper verdragen, laat staan een reumapatiënt.
 
 
Ik herinner me mijn tripjes met het openbaar vervoer, en wanneer ik daaraan terugdenk, besef ik dat ik nog liever twee uur aan een stuk studeer in plaats van een half uurtje op een overvolle Lijnbus te moeten zitten.
 
Het allerergste waren de oude mensjes. Niet allemaal natuurlijk, maar een groot aantal wist me telkens weer te ergeren.  Het was ronduit vreselijk wanneer ik eindelijk een zitplaats had weten te bemachtigen en een stel oudere dames me vuil stonden aan te kijken zodra ze op de bus waren gestapt. Noodgedwongen moesten ze rechtstaan en ze kwamen onsubtiel dicht bij me in de buurt staan, hen vastklampend aan de paal die aan mijn zitje bevestigd was, ter ondersteuning voor diegenen met een staanplaats.
Ik schaamde me nu al, maar ik kon mezelf niet toestaan overeind te komen en mijn plaats af te staan. Ik zou nog minstens een half uur onderweg zijn, en als ik die tijd rechtstaand door zou brengen, zou ik van de pijn in mijn heup en nog een handvol andere gewrichten amper van de bushalte naar huis kunnen lopen.
 
De dames bleven staan waar ze stonden, half op mijn schoot vallend wanneer de bus een bocht maakte. Ik hoorde de grootste iets mompelen over ‘de jeugd van tegenwoordig’ en ‘geen respect meer’, en ik deed alsof ik haar niet had gehoord terwijl ik knalrood door het raam keek. Ik hoopte dat ze alsnog gewoon beleefd zouden vragen of de oudste dame mocht zitten op mijn plaats, zodat ik het hen zo vriendelijk mogelijk kon uitleggen. Maar dat deden ze niet en ze keken me de verdere busrit hooghartig aan totdat ze hun halte hadden bereikt. In de tussentijd was niemand anders opgestaan. De andere, gezonde jonge mensen waren lekker blijven zitten.
 
Toen ik thuiskwam had ik pijn, maar van een heel ander soort. Die blikken van afkeuring, van onbegrip. Alsof ik expres en expliciet had geweigerd op te staan voor een oudere vrouw. Ik durfde te wedden dat mijn botleeftijd concurrentie was geweest voor de hare.
Ikzelf had nooit om een plek gevraagd, en had me ook nooit opgedrongen. Ik was banger geweest voor de bijtende reactie van koppige en kortzichtige mensen dan voor de pijn. Niemand had ooit vrijwillig zijn plaats afgestaan aan mij, ook al liep ik soms al wankelend de bus op.
 
Ik weet weer waarom ik een hekel heb aan het openbaar vervoer. En ik dank de hemel dat ik nu gewoon thuis kan blijven voor een hele tijd, blok of niet. We hebben allemaal wel iets meegemaakt dat verschrikkelijk kwetsend is, en dit was slechts één van de vele dingen waar ik mee geconfronteerd werd/word. Dus de rest van de blok wordt een eitje. We hebben gisteren overleefd, dus we slaan ons er morgen ook wel weer doorheen.
 
 
Ik verlies de moed niet, en ik hoop dat jij, waar je ook voor vecht, dat ook niet doet.
 
Liefs,
Aïda